Home
locaties/inschrijven
cursussen Voorburg
cursussen Naaldwijk
NL Architectuur
Tieleke Huijbers
Contactformulier
Reizen en excursies
extra: teksten

 

Berlage   
NRC  Tracy Metz 4 december 1992

Ontwerpen voor het echtpaar Kroller-Moller


Beroemde architecten moesten bij het kunstminnende echtpaar Kröller-Müller hun sporen als het ware opnieuw verdienen: Berlage begon met kippenhokken en een varkensstal, Henry van der Velde met een windmolen en een poortwoning. In Otterlo zijn de ontwerpen te zien die het koopmansgezin liet maken voor kunstcollectie en landerijen.

De Kröllers en hun architecten, t/m 7 febr. in het Rijksmuseum Kröller-Müller, Otterloo, di t/m za 10-17u, zo 13-17u. Catalogus door J. van der Wolk, Prijs ƒ 65,- (geb).

"Ich bin ein Baumensch': zo omschreef Helene Kröller-Müller zichzelf in 1930 in een brief aan een Duitse kennis. Deze wilskrachtige vrouw legde niet alleen een omvangrijke kunstcollectie aan, maar werkte vanaf begin deze eeuw tot aan haar dood vlak voor de Tweede Wereldoorlog nauw samen met een aantal toonaangevende architecten uit Nederland, Duitsland en België.
In het museum op de Veluwe dat aan de nalatenschap van het echtpaar Kröller-Müller is gewijd, is nu een overzicht te zien van de vele ontwerpen die zij voor zowel hun kunstcollectie als hun landerijen lieten maken: van architectonisch verantwoorde kippenhokken tot en met windmolens, woonhuizen, boerderijen, kantoren, een museum en een jachthuis. Vooral mevrouw Kröller voelde zich tot het spirituele in de architectuur aangetrokken. “Wezenlijke bouwkunst,” schreef ze in 1925 in haar eerste en enige boek, “is het voornaamste terrein voor zielsuitingen.”
Tot de namen die zij aan zich bonden, behoren H.P. Berlage, Henry van de Velde, Ludwig Mies van der Rohe en Peter Behrens. Maar bij deze veeleisende opdrachtgevers moesten zelfs deze beroemdheden hun sporen opnieuw verdienen. Zo debuteert Berlage, tussen 1913 en 1919 hun "huisarchitect' en allang een coryfee in binnen- en buitenland, met drie kippehokken en een varkensstal voordat hij zich wijdt aan grote opgaven als het jachthuis Sint Hubertus en een ontwerp voor een kunstmuseum. Ook Henry van de Velde, eveneens een gevestigde naam als hij in 1920 Berlage opvolgt, begint bescheiden, met een windmolen en poortwoning bij het jachthuis Sint Hubertus, voordat ook hij zich wijdt aan een ontwerp voor een groot kunstmuseum dat evenmin wordt gerealiseerd.
De tentoonstelling beslaat bijna drie decennia en is daardoor een portret van de evolutie van de smaak en aanzwellende artistieke ambities van een rijke industrieel - overigens bepaald niet de cultuurbarbaar waarvoor hij vaak wordt versleten - en zijn kunstminnende vrouw. Helaas wordt de bezoeker daarover geen enkele achtergrondinformatie geboden. Over de vaak bewogen verhoudingen tussen het echtpaar en hun architecten, die ze bijna als lijfeigenen lijken te beschouwen, kom je niets te weten, over het ontstaan en eventuele realisatie van al hun plannen en projecten ook niet. De catalogus is goed geschreven en aantrekkelijk uitgevoerd, maar de expositie doet geen poging de vraag te beantwoorden die ze zelf oproept: was mevrouw Kröller-Müller een megalomane dwingeland of een visionaire mecenas?
Verlangen
Zoveel staat vast: in 1906 begint mevrouw Kröller zich serieus te interesseren voor kunst. Vanaf dat moment loopt als een rode draad door haar denken over architectuur het verlangen naar een museum “waarin ik alles plaatsen wil, wat ik aan kunstschatten heb of nog krijgen zal”. Als de familie in 1910 de buitenplaats Ellenwoude in Wassenaar koopt om er een villa te laten bouwen, beslist ze dat het een museumhuis moet zijn, een woonhuis dat later "een interessant monument van cultuur' zal worden. In een brief uit 1911 aan haar adviseur Van Deventer laat ze ook een andere beweegreden doorschemeren. Ellenwoude zal “een grote les zijn, hoe ver aan innerlijke beschaving een koopmansgezin uit het begin der eeuw 't zou hebben gebracht”.
Het wordt een slepende kwestie. De architecten Falkenburg, Behrens, Mies van der Rohe en Berlage ontwerpen respectievelijk Ellenwoude I, II, III en IV; die van Mies en Behrens worden zelfs op ware grootte van geschilderd zeildoek geconstrueerd om te zien hoe ze zich tot het landschap verhouden. Uiteindelijk besluiten de Kröllers van de hele locatie af te zien en zich op de Hoge Veluwe terug te trekken. Overigens is het weiland waar Ellenwoude had zullen komen, nog altijd onbebouwd.
Het is tijdens deze vruchteloze onderneming dat Berlage in 1913 in vaste dienst treedt bij de Afdeling Gebouwen van Wm H. Müller & Co. Voor het bedrijf bouwt hij onder andere het kantoor Holland House in Londen, voor de familie het jachthuis Sint Hubertus (1915-1920). In 1917 en 1918 maakt hij schetsen voor een Museum bij de Fransche Berg (I), een imposant gebouw dat, anders dan Ellenwoude, nauwelijks nog de uitstraling heeft van een particuliere woning.
Chagrijnig
Maar tussen hem en zijn opdrachtgeefster botert het al een tijd niet meer, en na een verbintenis van ruim zes jaar wordt zijn contract in 1919 vroegtijdig ontbonden. “Voor mij was hij altijd de kleine man,” schrijft mevrouw twee jaar later aan haar zoon Bob, “de chagrijnige mens, het lelijk, onaangenaam karakter, maar... de grote kunstenaar!”
Op zoek naar een opvolger voor Berlage herinnert mevrouw Kröller zich een villa die de Belgische architect Henry van de Velde voor de Duitse mecenas Karl Ernst Osthaus had gebouwd in Hagen. Van de Velde verlaat gaarne zijn woonplaats Weimar, waar hij in ongenade is gevallen, om zich als hun huisarchitect in Nederland te vestigen. Mevrouw noemt hem liefkozend "de Prof', en de relaties worden nog nauwer als haar zoon met zijn dochter trouwt.

Het is Van de Velde die mevrouw Kröller het idee van een museumhuis uit het hoofd praat ten gunste van een echt museum. Het moet de apotheose worden van mevrouw Kröllers bestaan als "Baumensch'. Van de 1900 bouwtekeningen in het archief van het museum hebben er ruim 1400 betrekking op dit kolossale complex, dat zich met zijn trappen en terrassen moet voegen naar de glooiingen van de Fransche Berg op de Hoge Veluwe. Maar het is te laat. De bouw is nog geen jaar aan de gang als die 1922 wegens geldgebrek moet worden stilgelegd.
Van de Velde blijft nog vier jaar voor de Kröllers werken, maar in 1926 maakt hij net als Berlage een vroegtijdig eind aan zijn dienstverband om eervolle functies in België te aanvaarden. In een brief aan haar echtgenoot treurt mevrouw om het lot dat de "Prof' treft: “Ik zie hem al in het stof bedolven, voor hij nog zijn zwaard kon trekken. (-) Heel lang zal het niet meer duren en het losse heidezand zal over hem heen zijn gewaaid, zonder dat ook maar iemand zijn laatste uitspraak heeft kunnen horen.”
Het museum zoals wij het nu kennen is een veel kleinere versie, het zogenaamde "Noodmuseum'. Formeel gezien was het echtpaar ook niet zelf de opdrachtgever, maar de stichting waaraan zij in 1928 hun kunstcollectie schonken. Mevrouw Kröller heeft nog net de opening in 1938 meegemaakt; het jaar daarop overleed ze.
Van de tientallen plannen en ontwerpen waarvoor het echtpaar opdracht heeft gegeven, is niet meer dan een kwart uitgevoerd. Als laatste hommage zijn nu voor de duur van de tentoonstelling de denkbeeldige omtrekken van het Grote Museum en de terrassen in een computeranimatie aanschouwelijk gemaakt en met paaltjes in het bos uitgezet. Maar de droom is alleen nog op papier terug te vinden: in het bos is niets dan los heidezand.

 

 

 

 

Amsterdamse school

Pieter Lodewijk Kramer



Weg met de soberheid uit angst; De dartelende architectuur van Piet Kramer

 

Bernhard Kohlenbach: Pieter Lodewijk Kramer: Architect van de Amsterdamse School, 1881-1961. Uitg. V+K Publishing/Inmerc, 240 blz. Prijs ƒ 125,-

 

 

 

    Tracy Metz  

 

 

 

 

24 februari 1995

 

Piet Kramer (1881-1961) maakte als architect en meubelontwerper deel uit van een van de meest wufte, onbescheiden en on-Hollandse stromingen die er ooit in de Nederlandse architectuur geweest zijn, de Amsterdamse School. Deze expressionistische stijl heeft heftig maar kort gebloeid - grofweg tussen 1915 en 1925 - en is in de binnenlandse geschiedschrijving een beetje onder het tapijt geschoffeld. Dat bleek in 1961, toen Piet Kramer overleed: musea en archieven hadden zo weinig belangstelling voor zijn archieven, dat ze nagenoeg geheel zijn verbrand. In recente jaren is de Amsterdamse School weer salonfähig geworden, en is nu ook aanleiding tot serieuze publikaties. Teken van deze herwaardering is het boek van de Duitse architectuurhistoricus Bernhard Kohlenbach - een ingekorte en vertaalde versie van zijn proefschrift - over deze architect.

 

Kramer, die net als het hele groepje in aanbidding opkeek naar de aanvoerder van de Amsterdamse School, Michel de Klerk, was zelf geen groot vernieuwer, maar wel een veelzijdig kunstenaar. Behalve gebouwen bouwde hij bruggen en ontwierp hij meubels, lampen en postzegels. Zijn eerste opdracht als zelfstandig architect was een verenigingsgebouw voor de bond van Minder Marine Personeel ('het proletariaat van de vloot') in Den Helder. Bekendheid in bredere kring kwam met een door het genootschap Architectura et Amicitia georganiseerde tentoonstelling over deze nieuwe stroming in het Stedelijk in 1915.

 

Kramers bekendste gebouw is waarschijnlijk de Bijenkorf in Den Haag (1924-26), met zijn glazen gevel die als een gordijn rondom een onzichtbaar betonskelet is gedrapeerd. Daarvoor had hij in 1917 samen met vier geestverwanten meegewerkt aan een kleine villawijk in Bergen. In datzelfde jaar werd hij esthetisch adviseur bij de afdeling Bruggen van Publieke Werken bij de gemeente Amsterdam, een functie die hij tot 1952 behield; zo'n vijftien jaar lang was hij 's morgens bruggenbouwer en 's middags architect. Samen met De Klerk ontwierp hij het uitbundig vormgegeven volkswoningbouwcomplex De Dageraad - 'een monument voor de werkersklasse', vond hij zelf - in Amsterdam (1918-1923), waarvoor het begrip 'belevingsarchitectuur' is uitgevonden.

 

Parel

 

Gesteund door de toen machtige Schoonheidscommissie wisten de architecten van de Amsterdamse School een duidelijk stempel op de woningbouw in de hoofdstad te drukken, ook in de nieuwe, door Berlage ontworpen stadsuitleg Plan-Zuid. De veelgehoorde kritiek dat zij louter 'gevelarchitectuur' leverden, bestrijdt Kohlenbach niet, wel merkt hij op dat zij gezien de machtsverhoudingen in de bouw, er weinig aan hadden kunnen veranderen. Ze maakten er het beste van: “Als architect die vaak tot pure gevelarchitectuur was veroordeeld, benutte hij de mogelijkheid om met de plastische vormgeving van de gevel het stedebouwkundig aspect te dienen.”

 

Kramers laatste opdracht voor een gebouw dateert uit 1931; de opdrachten voor meubels hielden toen ook op. Hij legde zich volledig toe op het ontwerpen van bruggen, waarvan er zo'n tweehonderd van zijn hand gerealiseerd zijn. Zijn bruggen moesten niet alleen aan de eisen van het moderne verkeer voldoen, maar ook het traditionele stadsbeeld in stand houden. Net als zijn gebouwen wilde Kramer bruggen tot sprekende stedebouwkundige elementen maken. Hij voegde er van alles aan toe, niet alleen beelden van Hildo Krop maar ook plantenbakken, bankjes, kiosken, winkels en zelfs een zalenverhuurcomplex, en al in 1916 ontwierp hij als eerste een brug volledig van gewapend beton. Een van zijn opvallendste scheppingen, die nu als een parel van de binnenstad wordt beschouwd, was de brug over de Singelgracht (de afsluiting van de zeventiende-eeuwse stadsuitleg) bij het Leidseplein in Amsterdam, waarin hij baksteen, natuursteen en sculpturen van fantasiebeesten verwerkte. De kritiek was op z'n zachtst gezegd gemengd: 'talentvolle tentoonstellingsarchitectuur', 'rücksichtlos modern'. Smalend schreef het Bouwkundig Weekblad over hem: “Iedere nieuwe brug is weer een nieuwe fantasie (of gril?) Hij dartelt, hij juicht, hij smeekt, hij stuiptrekt.”

 

Kramer, die ook tussen 1918 tot 1925 medewerker was van het tijdschrift Wendingen, wilde net als zijn geestverwanten vooral het gevoel beroeren, al het overige was 'propaganda'. Hij vermoedde zelfs dat de eenvoud en soberheid van rationalisten als Berlage alleen diende om onvermogen te camoufleren; Berlage werd 'soberheid-uit-angst' verweten. Van Kramer hoefde er in de architectuur, evenmin als in de meubelkunst, geen zichtbaar verband te zijn tussen constructie en buitenkant. De enige grens aan de vrije vormgeving was die van de eigen fantasie van de architect-kunstenaar. In een boekje van W. Retera in de serie Nederlandsche Bouwmeesters vergelijkt Kramer de schijnbaar vrijzwevende glazen gevel van de Haagse Bijenkorf met een motorkap: “Niemand zal de kap afkeuren, omdat in den vorm niet uitgedrukt is hoeveel cylinders de motor bevat en hoeveel paardenkrachten ze ontwikkelt. Uitwendig onthult de mooie lange automobiel niets van het ingewikkelde spierstelstel van den motor, van koppelingen en versnellingen. Het wezen der schoonheid is hier weer een illusie.”

 

Het was misschien allemaal wel subjectief en utopisch, concludeert Kohlenbach, “maar dit streven naar een ideale wereld staat voor een experiment dat zeker gerechtvaardigd was. Tussen 1915 en 1930 is Piet Kramer erin geslaagd zijn utopie en de opvattingen van de groep te verwerkelijken.”

 

Schreefloos

 

Bernhard Kohlenbachs speurtocht naar Pieter Lodewijk Kramer is alleszins de moeite waard, maar jammer genoeg laat de verzorging van het boek nogal te wensen over. Er is gekozen voor een klein, licht, moeilijk leesbaar lettertje en ook nog schreefloos, wat niet bij de weelderige sfeer van Kramers werk past. De layout is amateu-ristisch en de hedendaagse foto's stellen teleur. Daar staat tegenover een soepele en zorgvuldige vertaling uit het Duits door Carin Creemers. Uiteindelijk is de grootste prestatie die van Kohlenbach zelf, die niet alleen het oeuvre van Piet Kramer heeft geboekstaafd maar ook voor zover mogelijk een beeld geeft van de man zelf in de context van zijn tijd. Wel blijft het vreemd, betreurenswaardig zelfs, dat het voor de zoveelste keer een buitenlander moest zijn die de Nederlandse architectuurgeschiedenis schrijft. Misschien komt dat doordat de Nederlandse architectuurwereld, die zo sterk gedomineerd wordt door de nalatenschap van het Nieuwe Bouwen, de neiging heeft de Amsterdamse School als een vertederende maar ook excentrieke oprisping af te doen. Het Stedelijk Museum in Amsterdam maakt het dit najaar een beetje goed met een tentoonstelling over zijn bruggen. Maar van echt herstel kan pas gesproken worden als Kramers verrukkelijke stalen brugwachterspostje terug mag keren uit ballingschap in het Amsterdamse Bos en opnieuw het Muntplein siert.

TRACY METZ

 

NRC HANDELSBLAD 24-2-95

Gescand 23-3-2020

 

 

 bouwwerken van Dudok

 

 

 

Een wandeling langs de bouwwerken van Dudok; De compositie van Hilversum

 

In Hilversum staat nog een groot aantal huizen en gebouwen die zijn ontworpen door de architect Willem Marinus Dudok (1884-1974). Muziekliefhebber Dudok wordt dezer dagen geëerd met een reeks manifestaties. Een wandelroute leidt langs het Raadhuis, Dudoks magnum opus dat zich laat vergelijken met 'Concert voor Orkest' uit 1943 van Bartók.

 

    Bernard Hulsman          

 

NRC Handelsblad  18 april 1996

 

Toonladders klinken uit de Snelliusschool in Hilversum. Wie vanaf het schoolplein door de ramen van het gebouw gluurt, ziet dan ook piano's staan, met of zonder bespelers. Aan de achterkant van de school kan een groot glasvlak niet verhinderen dat een onzichtbaar ensemble is te horen dat onmiskenbaar 'lichte muziek' speelt. Het is duidelijk: het Hilversums conservatorium heeft bezit genomen van de school uit 1931 die door de architect Willem Marinus Dudok (1884-1974) werd ontworpen.

 

Een betere bestemming voor dit gebouw is niet denkbaar. Want Dudok, de architect die vanaf morgen wordt geëerd met een grote 'manifestatie' in Hilversum, was een hartstochtelijk muziekliefhebber. Beethoven, Bach, Brahms, Schubert, Mozart en vooral Gustav Mahler waren de componisten die deze violistenzoon bewonderde.

 

Dudok vergeleek zijn werk ook vaak met muziek. Hierin staat hij niet alleen: opvallend veel architecten doen dit wanneer zij hun werk toelichten. Blijkbaar zijn er overeenkomsten tussen wat de filosoof Arthur Schopenhauer de hoogste (muziek) en laagste (architectuur) kunst noemde. Ritme, verhoudingen, tijd, herhaling - het zijn allemaal elementen waarvan zowel architecten als toondichters gebruik maken. 'Gestolde muziek' wordt bouwkunst daarom vaak genoemd en om dezelfde reden is de titel van de Dudok-tentoonstelling die vanaf vandaag in het Hilversumse Raadhuis is te zien 'componist van architectuur'.

 

Vreemd genoeg moest Dudok niets hebben van de muziek van zijn tijdgenoot Béla Bartók (1881-1945), de Hongaarse componist die bij de Dudoks logeerde wanneer hij voor de Nederlandse radio in Hilversum was. Toen Bartók in huize Dudok een paar van zijn composities speelde, vroeg de architect verstoord of hij niet iets anders kon spelen, van Brahms bijvoorbeeld, zo vertelde Dudoks dochter twee jaar geleden bij een opening van een Dudok-tentoonstelling.

 

Maar als er één componist is, wiens werk aan dat van Dudok doet denken, dan is het Bartók. Zoals Bartóks vroege werk laat-romantische en expressionistische invloeden verraden, zo vertonen de eerste gebouwen van Dudok duidelijk de sporen van de opvattingen van Berlage en de Amsterdamse School. En net als Bartók in sommig later werk leunde Dudok in latere ontwerpen tegen het modernisme aan. En terwijl Bartók in zijn composities gebruik maakte van Hongaarse volksmuziek, paste Dudok in zijn bouwwerken rieten daken en betimmeringen van groen hout toe, elementen die hij ontleende aan de traditionele Nederlandse bouwkunst. Bartók en Dudok waren kunstenaars die allerlei invloeden samensmeedden tot een oeuvre dat geheel op zichzelf staat. Bartók noch Dudok behoorden ooit tot een school, maar schiepen een eigen, persoonlijke stijl.

 

Op de wandeling die als onderdeel van de Dudok-manifestatie compleet met bewegwijzering is uitgezet door Hilversum, is de ontwikkeling van Dudoks stijl precies te volgen. De Geraniumschool, die hij in 1915 als eerste van vele scholen ontwierp nadat hij twee jaar eerder directeur van Publieke Werken van Hilversum was geworden, vertoont kenmerken van de Amsterdamse School. Het is wonderlijk dat dit lelijke gebouw, dat nu dienst doet als woningcomplex, aan het begin staat van een loopbaan die uiteindelijk zou leiden tot het Hilversumse Raadhuis, Dudoks onovertroffen meesterwerk.

 

Niet speciaal lelijk maar onopvallend zijn de huisjes van de drie wijkjes waarin deze school staat, de eerste, tweede en vijfde gemeentelijke woningbouw uit de jaren 1915-1922. De huisjes zijn sober en terughoudend, en hoewel de verspringende gevels en straatbreedtes zorgen voor levendigheid, zou niemand deze buurten bezoeken als ze niet van de hand van Dudok waren.

 

Maar in de Dr. Bavinckschool, eveneens gelegen in een door Dudok ontworpen buurtje, is al veel te zien van het stadhuis. Hier doet zich de invloed van De Stijl gelden - Dudok was zijn leven lang bevriend met het Stijllid J.J.P. Oud. Net als het Raadhuis is dit schooltje opgebouwd uit in elkaar geschoven bouwblokken, zodat een compositie van horizontale en verticale lijnen is ontstaan. Zelfs de 60 meter hoge raadhuistoren is hier al in embryonale vorm aanwezig.

 

Dudok begon met zijn ontwerp voor het Raadhuis een jaar na de bouw van de Dr. Bavinckschool, maar het zou nog acht jaar duren voor het werd voltooid. In de tussentijd bouwde hij vele scholen, die allemaal minder lijken op het Raadhuis dan de Dr. Bavinckschool. Steeds overheerst in elk van deze gebouwen één van de invloeden waaraan het werk van Dudok bloot stond. Zo doen de Fabritiusschool (1926) en de Ruysdaelschool (1928) met hun kolossale rieten daken denken aan oude Nederlandse boerderijen. De Juliana- en Catharinaschool (1925-1927) en de nu in de steigers staande Multatulischool (1930) herinneren met hun brede dakoverstekken aan het werk van Frank Lloyd Wright, de Amerikaanse architect voor wie Dudok - net als veel van zijn Nederlandse collega's - veel bewondering had.

 

De Snelliusschool staat met zijn grote glasvlakken en ronde, uitstulpende trappenhuis met glazen bouwblokken nog het dichtst bij het Nieuwe Bouwen, waartoe Dudok zich aan het eind van de jaren twintig aangetrokken voelde zonder ooit een gelovige te worden. Toepassing van het dogma 'form follows function' was volgens Dudok niet voldoende voor goede architectuur. “Onze overdreven eerbied voor de bevrijdende techniek schenkt ons nog allerminst het vermogen om ruimten te doen zingen en aan een bouwwerk de suggestieve verhouding te schenken die het doel sublimeert”, schreef Dudok plechtig over functionalisten als Duiker en Brinkman & Van der Vlugt.

 

Al deze invloeden kwamen samen in het Raadhuis, Dudoks magnum opus dat zich nog het best laat vergelijken met Bartóks Concert voor Orkest uit 1943. Alles wat in Dudoks scholen sluimert, komt hier tot uitbarsting. De opeenstapeling van rechthoekige bouwmassa's is ingenieuzer, complexer en dynamischer dan die in welke andere Dudok dan ook; de gele, smalle, speciaal voor dit gebouw ontworpen bakstenen zijn mooier en verfijnder dan de stenen waarvan zijn andere gebouwen zijn gemaakt; het interieur is een vloeiende aaneenschakeling van statige trappen en 'zingende' ruimtes, gemaakt van materialen die in luxe niet te overtreffen zijn. Het marmer, de verschillende metaal- en houtsoorten en de goudkleurige en blauwe tegeljes doen niet vermoeden dat dit gebouw in crisistijd werd voltooid.

 

Het Raadhuis is het hoogtepunt van de wandeling die de Stichting Manifestatie Dudok heeft uitgezet. Het is dan ook een grote fout van de samenstellers van de route dat ze de wandelaar het eerst naar dit gebouw sturen. Natuurlijk had het Raadhuis pas aan het eind van de tocht door het rommelige Hilversum moeten opdoemen. Dan zou de architectuurtoerist de tien gebouwen en vijf wijkjes van Dudok kunnen beschouwen als opmaten voor Dudoks grootse symfonie. Nu begint de wandeling met een overrompelende compositie voor groot orkest, die wordt gevolgd door kamermuziek en niet onaardige deuntjes. Men doet er dan ook goed aan de voorgeschreven route te negeren. Wie met de trein komt, kan het best eerst naar het zuiden gaan, langs de nummers 6 tot en met 11 en vanaf dit laatste gebouw, een voormalig badhuis, direct doorlopen naar de nummers 4 en 3 om ten slotte te eindigen bij 1, het Raadhuis. Zo vormt Dudoks hoofdwerk een passend slot van de ongeveer anderhalf uur durende wandeling.

 

Niet alleen in de voorgeschreven wandeling, maar ook in Dudoks oeuvre komt het Raadhuis niet aan het einde. Voltooide Bartók zijn grootse Concert voor 0rkest twee jaar voor zijn dood, Dudok had na zijn Raadhuis nog decennia te gaan. Dat brengt een zekere tragiek met zich mee. De voltooiing van het Raadhuis vormde 'in zekere zin een grafsteen op zijn oeuvre', schrijft Herman van Bergeijk dan ook in zijn vorig jaar verschenen proefschrift over Dudok. In het Hilversumse Raadhuis had Dudok zijn stijl tot een onovertrefbaar uiterste gevoerd. Dat leek hij zelf ook te beseffen. Het Nederlandse paviljoen in de Cité Universitaire (1928) in Parijs ontwierp hij nog in dezelfde Dudokiaanse stijl, maar iedereen die het ziet, moet vaststellen dat het niet meer is dan een echo van zijn Raadhuis. In de jaren dertig zocht Dudok dan ook naar andere wegen. Zijn ontwerpen werden statischer en de wervelende, omhoogstrevende composities maakten plaats voor sobere aaneenschakelingen van enkele bouwmassa's.

 

Dudoks late werk neemt geen bijzondere plaats in in de Nederlandse architectuur en de gebouwen die hij in Hilversum in de jaren dertig, veertig en vijftig realiseerde, zoals de C & A uit 1962 en de Noorderbegraafplaats uit de jaren veertig, ontbreken dan ook in de wandeling. Toch is dit niet helemaal terecht, want hoewel zijn late gebouwen de virtuositeit van zijn vroege werk ontberen, steken ze in de meeste gevallen nog altijd boven de middelmaat uit. Gelukkig heeft de Stichting Dudok Manifestatie ook een boekje uitgegeven waarin nog meer wandel- en fietsroutes staan, die wel langs late Hilversumse scheppingen en vele andere scholen van Dudok voeren.

 

 

 

 

1 Raadhuis (1928) 2 Multatulischool (1930) 3 Nienke van Hichtumschool (1929) 4 Snelliusschool (1931) A Derde gemeentelijke woningbouw (1919-1920) 5 Gooiland (1934-1936) 6 Rembrandtschool (1919-1920) 7 Fabritiusschool (1926) en Ruysdaelschool (1928) 8 Julianaschool en Catharinaschool (1925-1927) B Vijfde gemeentelijke woningbouw 9 Geraniumschoool (1916-1918) C Tweede gemeentelijke woningbouw (1918-1920) D Eerste gemeentelijke woningbouw (1915-1919) 10 Bavinckschool( 1920-1921) E Vierde gemeentelijke woningbouw (1920-1921) 11 Voormalig Badhuis (1920-1921)

 

 

 

 

 

 

 

Kunst en Reizen  | kunst-en-reizen@hotmail.com
Top