INLEIDING WENEN 1880-1938
INLEIDING WENEN 1880-1938
Uit: Egon Schiele, Schilderen alleen is voor niet genoeg. Brieven vertaald door Elly Schippers met een inleiding van Siem Eikelenboom samengesteld en van commentaar voorzien door Hans van de Willige
Als Egon Schiele in 1906 in Wenen arriveert om er te studeren aan de academie van beeldende kunsten, komt hij terecht in een modernistische renaissance die rond 1880 begon en die in 1938 zal eindigen met de Anschluss.
In zijn woning aan Berggasse 19 ontvouwt Freud zijn psychoanalytische theorieën. Ludwig Wittgenstein, de zoon van een vermogende industrieel, komt als een van de eersten met een Sprachkritik. Robert Musil schrijft aan zijn “Mann ohne Eigenschaften”. De schilders van de Secession trekken de Oostenrijkse schilderkunst uit het moeras. In de architectuur zijn Otto Wagner en Adolf Loos belangrijk als voorlopers van stromingen als nieuwe zakelijkheid en functionalisme.
De componisten Arnold Schönberg, Alban Berg en Anton Webern ontwikkelen de twaalftoonstechniek. Deze opsomming kan zonder moeite worden uitgebreid. Zelden zullen op één plaats in zo'n relatief korte periode zoveel kunstenaars zoveel belangwekkends hebben voortgebracht. De oorzaak moet worden gezocht in de talrijke conflicten die onder de oppervlakte woedden. Meer dan in de andere Europese hoofdsteden stonden kunstenaars en burgerij op gespannen voet.
Rond 1900 was de politieke invloed van de liberalen (de gegoede burgerij en de ondernemers) sterk afgezwakt door de opkomst van andere partijen. De assimilatie met de aristocratie was op een mislukking uitgelopen, maar in het openbare leven was het belang van de liberalen eerder toe- dan afgenomen. In de pers en in het culturele leven hadden ze het voor het zeggen. De burgerij was welvarend en wilde haar rijkdom tonen. Ze ging niet alleen naar de Hofburg en de Hofoper om de nieuwste theaterstukken en opera's bij te wonen, maar vooral om te worden opgemerkt. Verder kon men haar zien dansen op Strauss' walsen en haar zien wandelen in het Prater. Overdag winkelde ze in de Kartnerstrase die van de Opera naar de Stefansdom leidde. Bij Sacher konden toen al de beroemde gebakjes worden gegeten en in de talloze koffiehuizen verstreken de uren bij een kopje koffie. Wenen leek te bruisen, maar het was slechts schijn. De hoofdstad Wenen en de hele dubbelmonarchie vormden een vulkaan die in 1918 tot uitbarsting kwam. Afgezien van enkele critici had niemand die uitbarsting voorzien, had zelfs bijna niemand het rommelen opgemerkt.
De geschiedenis van Oostenrijk is voor een groot deel die van het huis Habsburg dat vanaf 1282 met enkele onderbrekingen het land regeerde. Na de restauratie-periode die volgde op de Napoleontische oorlogen, kwam in 1848 keizer Frans-Jozef I op de troon. Hij volgde zijn zwakzinnige oom Ferdinand I op. Frans-Jozef kon de troon pas bestijgen nadat zijn troepen een opstand in Wenen hadden neergeslagen en de opstandige Hongaren onder controle waren gebracht.
Rond 1900 was de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie (oftewel K. und K., kaiserlich und königlich) een lappendeken van landen en landjes. Het rijk telde 55 miljoen inwoners, 17 nationaliteiten en 12 talen. Frans-Jozef was keizer van Oostenrijk en koning van Hongarije. De dubbelmonarchie was tot stand gekomen in 1876, toen grote concessies werden gedaan aan het Hongaarse nationalisme en Hongarije werd gelijkgesteld met Oostenrijk. Militair en diplomatiek bleef de hybride echter een eenheid vormen.
Ondanks deze 'oplossing' konden keizer en parlement de fundamentele onbestuurbaarheid van de dubbelmonarchie niet verhullen. Het grote probleem was het bestaan van te veel nationaliteiten binnen een staat. Duitsers, Polen, Hongaren, Tsjechen, Bohemen, Istriërs, Serviërs en Slaven streden voor het behoud van hun eigen cultuur en taal. Oostenrijk en Hongarije reageerden daarop door hen te onderdrukken.
Tot de jaren zeventig van de vorige eeuw werd de Donaumonarchie geregeerd door adel, kerk en keizer. Na de mislukte revoluties in 1848 verliezen leger en aristocratie veel van hun prestige en de Duitstalige bourgeoisie en de joden verenigen zich onder liberale vlag.
De liberalen vormden aanvankelijk een vooruitstrevende klasse die het land omhoog wilde stuwen met de hulp van wetenschap en onderwijs, maar na 1870 werd de partij steeds conservatiever. In 1867 had ze de macht gekregen door in het parlement de meerderheid te verwerven. In de jaren die volgden hield ze vast aan de status quo.
Ondertussen kwamen door uitbreiding van het kiesrecht andere sociale groeperingen in de politieke arena. In de jaren tachtig zorgden christelijk-socialen, pan-germanen en sociaaldemocraten ervoor dat de liberalen de meerderheid in het parlement verloren. In 1887 sneuvelde het laatste liberale bolwerk Wenen en moest de keizer tegen zijn zin Karl Lueger, antisemiet en leider van de christelijk-sociale partij, benoemen tot burgemeester. Andere belangrijke partijen waren de sociaaldemocraten onder Victor Adler en een antisemitische partij onder leiding van Georg von Schönerer. Het waren vooral Lueger en Von Schönerer die het antisemitisme salonfähig wisten te maken. Tot dan toe leefde de grote joodse gemeenschap in de dubbelmonarchie tamelijk ongestoord. In 1900 telde Boedapest 733.000 inwoners en was een kwart daarvan van joodse origine. Wenen had in 1910 175.000 joodse burgers. Veel van hen waren te vinden in intellectuele en kunstzinnige kringen. Rond de eeuwwisseling waren alle Weense impresario's joods. De joodse families werden aan het einde van de vorige eeuw aangetrokken door het liberale klimaat en het hoge peil van het onderwijs. Onder hen de families van Freud, Zweig, Kraus en Kokoschka. Door de pogroms in het oosten kwamen veel Ostjuden hen later achterna.
Het antisemitisme had al die tijd min of meer gesluimerd. Lueger wist echter slim gebruik te maken van de gevoelens van afgunst onder zijn aanhangers, de kleinburgers: winkeliers, lagere beambten, huisbazen en handwerkers. In hun ogen waren zij 'slachtoffers' van de joden die hoge posities bekleedden in het economische en sociale leven. De christelijk-socialen streefden afzondering van joden na. Die moesten op aparte scholen worden onderwezen en verdwijnen uit veel beroepen, zoals de journalistiek en de advocatuur. In 1903 verkondigden de christelijk-sociale kranten openlijk een vernietigingsoorlog tegen de joden te willen voeren. Dit soort artikelen werd verslonden door de jonge Adolf Hitler die een kamertje huurde in het huis van een rijke, joodse huiseigenaar. Hitler was naar Wenen gekomen om aan de academie van beeldende kunsten te studeren. Hij was echter afgewezen en voorzag nu in zijn levensonderhoud door het schilderen van ansichtkaarten.
Vanaf 1850 tot aan de crash van 1873 was er een periode van economische voorspoed in de dubbelmonarchie. In zijn autobiografie “Die Welt von Gestern” beschrijft Stefan Zweig het reilen en zeilen van zijn grootvader die in die periode uit Engeland mechanische weef- en spinmachines importeerde en daarmee een fabriek begon. De energie werd geleverd door waterkracht.
De crisis van 1873 versnelde de val van de liberalen en hoewel de economie na 1896 wat aantrok, kwamen de liberalen nooit meer zo sterk terug.
Door de crisis en de industrialisering trokken veel mensen van het platteland naar de stad. Wenen kon deze stroom niet verwerken en er ontstond een mensonterende woningnood. In 1857 woonden in Wenen 476.220 mensen. Dat aantal was in 1910 opgelopen tot ruim twee miljoen. In dat jaar deelden gemiddeld 4,4 mensen een woning; gemiddeld 1,24 per ruimte, keuken, badkamer en gang meegerekend. Talloos waren de daklozen die zich overdag ophielden in de verwarmde koffiehuizen en 's avonds een slaapplaats zochten in de riolen, onder de bruggen en in de parken.
In 1908 beschreef Emil Klager deze mensen in zijn “Durch die Quartiere des Elends und Verbrechens”. Het was gewoon dat arbeiders met hun veertigen een ruimte delen. Rond de eeuwwisseling was 14% onderhuurder of huurder van een bed. De kindersterfte in die dagen is groot, cholera en tyfus zijn volksziekten, overal heerst tuberculose. Het aantal doden is dubbel zo hoog als in andere hoofdsteden van Europa. Het loon van de arbeiders is laag en 60% ervan gaat op aan voedsel dat veelal van slechte kwaliteit is. De grondstoffen voor brood worden vermengd met andere stoffen om de kosten te drukken. Ongemengde tabak is alleen weggelegd voor de rijken. Tot in de jaren tachtig werken de arbeiders zeven dagen per week tien uur per dag. Op maandagen is er een grote absentie: de kater van de zondag wordt weggedronken. Veel fabrieken hebben naast mannen, vrouwen en kinderen in dienst. De vrouwen verdienen nog niet de helft van wat de mannen innen. De omstandigheden van de arbeiders zullen pas verbeteren als de sociaaldemocratische partij in 1888 wordt gereorganiseerd en de arbeiders een instrument in handen krijgen om verbeteringen door te drukken.
Boven het gekrakeel van de minderheden en de verschillende bevolkingsgroepen stond het onaantastbare beeld van de keizer. Overal kwam men zijn portret tegen, in postkantoren, stations en openbare gebouwen waar de ambtenaren zowel uiterlijk als innerlijk op de kalende keizer probeerden te lijken. Het verhaal ging dat het rijk evenveel portretten van de keizer telde als onderdanen.
In 1903 werd in het vakantieoord van de keizerlijke familie, het plaatsje Bad Ischl, voor het eerst de stem van de keizer opgenomen. Een krakende stem zegt zich te verheugen over de technische en wetenschappelijke vooruitgang van de laatste decennia. Maar de schijn bedriegt. De keizer was wel de laatste die een nieuwtje zou verwelkomen. Op de fonograaf-opname zegt hij de telefoon en de fonograaf als belangrijke uitvindingen te beschouwen, maar in het gehele keizerlijk paleis was geen telefoon te ontdekken. De keizer hanteerde het Metternich-systeem dat neerkwam op het uitsluiten van alle revolutionaire ideeën.
De keizer was als de dood voor veranderingen. Elektriciteit beschouwde hij als een te revolutionaire uitvinding, tot het laatst toe werd zijn paleis verlicht door kerosinelampen en een modern sanitair systeem werd pas aangelegd na de ondergang van zijn regering. Onder het motto Ruhe und Ordnung stelde hij een strenge censuur in en probeerde hij technische ontwikkelingen tegen te houden. Hij was tegen de aanleg van een spoorwegnet omdat revolutionairen hier in tijden van revolutie gebruik van konden maken.
De legerleiding had veel invloed op de keizer. De aanleg van de befaamde ringstraten werd aanvankelijk verhinderd omdat daarvoor de verouderde verdedigingswerken en stadswallen moesten worden afgebroken. Toen de liberalen bleven aandringen, kreeg het leger bij de plannen een flinke vinger in de pap. De straten moesten zo breed mogelijk worden om de aanleg van barricaden te bemoeilijken en het verplaatsen van legereenheden te vergemakkelijken.
Na nederlagen tegen Frankrijk (1859) en Pruisen (1866) verloor het leger zo veel respect dat de liberalen bezit konden nemen van de ringbaanplannen om ze te maken tot een symbool van het liberalisme. Aan de ringbanen bouwde men het in gotische stijl opgetrokken raadhuis (1872-'83), het barokke Hofburgtheater (1874-'88), de renaissancistische universiteit (1873-'84) en het in Griekse stijl opgetrokken parlementsgebouw (1874-'83). De huizen aan de ringstraten kregen indrukwekkende façades met monumentale trappenhuizen. Op de begane grond werden kantoren en winkels gevestigd. Daarboven woonde de rijke burgerij, maar hoe hoger men woonde, hoe goedkoper de woonruimte en hoe eenvoudiger de façade. Verschil moest er zijn.
'Alles in onze bijna duizendjarige Oostenrijkse monarchie scheen gegrondvest te zijn op duur en de staat zelf was hiervoor de beste garantie. De rechten die de staat ons verleende waren door het parlement, de vrij gekozen volksvertegenwoordiging, vastgelegd in documenten. Iedere plicht was precies omschreven. Onze munt, de Oostenrijkse kroon, rolde in glanzende goudstukken die haar stabiliteit garandeerden. Iedereen wist hoeveel hij bezat en wat hem toekwam, wat was toegestaan en wat verboden. Alles had zijn eigen norm, maat en gewicht. (...) Dit gevoel was het begerenswaardige bezit van miljoenen, het gemeenschappelijke levensideaal. Slechts met deze zekerheid gold het leven als waardig en steeds meer kringen probeerden hun aandeel in deze zekerheid te verwerven. '
Stefan Zweig geeft hier een uitstekend beeld van het levensgevoel dat in de hogere klassen moet hebben geheerst. Honger, woningnood en ziekte waren voor hen zaken uit een andere tijd. In hogere en wetenschappelijke kringen heerste het positivisme en het geloof in de vooruitgang. Zweig weer:
'De negentiende eeuw was er in haar liberalistisch idealisme eerlijk van overtuigd op de juiste en onfeilbare weg naar de "beste aller werelden" te zijn. Met verachting keek men neer op vroegere tijdperken, met hun oorlogen, hongersnoden en revoluties, als op tijden waarin de mensen nog onmondig waren en niet "verlicht". Nu echter zou het nog een kwestie van enkele decennia zijn voor het laatste kwade en boze definitief zou worden overwonnen. Dit geloof in een niet te stoppen vooruitgang had voor ons tijdperk de kracht van een religie; men geloofde meer in de vooruitgang dan in de bijbel en zijn evangelie leek onomstotelijk bewezen door de dagelijkse nieuwe wonderen van wetenschap en techniek.'
In de huizen van de ringstaten en in de binnenstad nam de hygiëne toe dankzij het wonder van de waterleiding; 's nachts brandden elektrische lampen in de lantaarnpalen en over de ringbanen reed een elektrische tram. 's Avonds kon men zich vergapen aan verlichte etalages. In de ogen van de gegoede burgers ging men een stralende toekomst tegemoet.
In 1857 verschijnt de roman Der Nachsommer van Adalbert Stifter. De schrijver is het prototype van de apolitieke Biedermeierliberaal die zijn richting zoekt in de op drift geraakte samenleving. Het begrip 'Bildung' is zijn rots in de branding. Stifter vreest de heftige emoties van zowel de romanticus als van de massa en plaatst daar tegenover de ontwikkelde mens die met rede, cultuur, wetenschap en traditie vormgeeft aan de samenleving.
Uit Stifters boek blijkt echter dat zijn ideaal van de ontwikkelde burger onbereikbaar zal blijven voor de grote massa. De 'gewone man' beschikt immers niet over de financiële middelen van Heinrich, hoofdpersoon in Der Nachsommer. Heinrich heeft de keuze tussen overname van zijn vaders bedrijf, dat door hard werken is uitgebouwd tot een florerende onderneming, of het ontwikkelen van zichzelf door het nastreven van een wetenschappelijke carrière.
Volgens Carl Schorske, auteur van Fin-de-siècle Vienna, is deze probleemstelling erg belangrijk rond 1880 en impliceert het een crisis in de liberale burgerij. Schorske spreekt in dit verband van twee generaties liberalen. De eerste generatie verwierf zich door ondernemingszin en hard werken een riante financiële positie waar hun nakomelingen van konden profiteren. Waar de vaders moesten zwoegen, groeiden hun kinderen op in weelde. Voorbeelden: Sigmund Freud, Stefan Zweig, Ludwig Wittgenstein.
Door het verlies van haar politieke invloed ging de burgerij zich volledig richten op het bevredigen van haar esthetische genoegens. Dankzij de musea, theaters en salons van hun ouders kon de nieuwe generatie een verfijnde smaak ontwikkelen. Veel kinderen uit rijke families kwamen terecht in kunst of wetenschap.
Hof en aristocratie verloren hun functie van mecenas. Die rol werd overgenomen door de rijke burgerij. De Wittgensteins hoefden de deur niet uit om hun culturele behoeften te bevredigen: Klimt, Brahms, Mahler en Walter kwamen bij de familie aan huis.
Volgens Stefan Zweig waren het vooral de joden die zich opwierpen als de nieuwe kunstliefhebbers:
'.. .zonder de onophoudelijke, stimulerende interesse van de joodse bourgeoisie zou Wenen dankzij de indolentie van het hof, de aristocratie en de christelijke miljonairs die liever renstallen en jachtpartijen hielden in plaats van de kunst te ondersteunen, op kunstgebied in gelijke mate zijn achtergebleven bij Berlijn als Oostenrijk op politiek gebied was achtergebleven bij Duitsland. '
Toen het nog goed ging met de liberalen, stelden zij alles in het werk om met de aristocratie te assimileren, maar in tegenstelling tot de Franse en Engelse burgerij, slaagde de Oostenrijkse er niet in zich met de aristocratie te verenigen of de aristocratie te verslaan. In wezen bleven de liberalen zwak en daarom loyaal aan de keizer.
Als het in 1885 definitief is afgelopen met de politieke invloed en de met een titel bekroonde burgers en ondernemers aan het hof geen stap verder komen, ontwikkelt zich steeds meer een Gefühls-kultur. Een basis voor deze cultuur was er altijd al geweest. In tegenstelling tot de Noord Duitse cultuur die meer moreel, filosofisch en wetenschappelijk was gericht, was de Oostenrijkse cultuur vooral gericht op het esthetische, het barokke en het ornament.
De van alle politieke invloed gespeende burgerij richt het vizier nu meer en meer op deze culturele waarden. Kleinburgerlijke spaarzaamheid maakt plaats voor esthetische kieskeurigheid. Kunst vervangt religie. Voor de burgerij wordt kunst een tuin waarin ze zich comfortabel van de wereld kan afwenden. Niet voor niets is theater - opera en toneel - de belangrijkste kunstvorm. Acteurs en zangers worden belangrijker dan politici. Hugo von Hofmannsthal ziet hierin das Gleitende, het wegglijden van de wereld waardoor de cultivatie van het ik toeneemt. Dit leidt tot een onvermijdelijke preoccupatie met het eigen psychische leven. Dit komt weer tot uitdrukking in de stijl van het meest gelezen gedeelte van de culturele bijlage van de krant: het feuilleton met zijn vermenging van feiten en verbeelding. In het feuilleton overwoekeren de bijvoeglijke naamwoorden de zelfstandige naamwoorden. De karakteristieken van het genre zijn: narcisme, introversie, passieve receptie van de werkelijkheid en bovenal gevoeligheid voor psychische problemen.
Opvallend is dat er in Oostenrijk in vergelijking met het buitenland weinig geëngageerde schrijvers rondliepen.
Uitzondering is Ferdinand von Saar (1833-1906) die kan worden vergeleken met de sociaal-realisten in Rusland en Engeland. Von Saar is een van de weinigen die de grote kloof ziet tussen de weldoorvoede burgerij en de arme massa. Carl Schorske beschouwt de Oostenrijkse kunstenaars dan ook als estheten van de nieuwe kunst die niet, zoals hun generatiegenoten in Frankrijk en Engeland, dégagé of engagé zijn, maar die met hun klasse zijn vervreemd van de maatschappij.
Hoewel het schema van Carl Schorske met zijn twee generaties hanteerbaar is, is het te grofmazig om alle ontwikkelingen in te kunnen vangen. Een schema met drie generaties geeft een beter beeld van de ontwikkelingen in het Wenen tussen 1880 en 1938.
De eerste generatie bouwt het toneel, ontwerpt de decors en de kostuums. Dit is de generatie die in de tweede helft van de negentiende eeuw veel geld verdient in handel of industrie.
De tweede generatie profiteert hiervan. Zij neemt het toneel over, maar verandert het decor en de kostuums. Deze generatie zoekt haar heil in kunst en wetenschap (Heinrich uit Der Nachsommer) en is te omschrijven als de 'Jugendstil-generatie' met haar leus van l'art pour l'art. Deze generatie sticht de Wiener Werkstätte en de Secession. Namen: Otto Wagner, Joseph Hoffmann, Joseph Maria Olbrich, Gustav Klimt, Gustav Manier, Hugo von Hofmannsthal.
De derde generatie komt in het geweer tegen der Schein, de maskerade van vrolijkheid en de Ornamentkultur. Zij breekt het decor af en verlangt kostuums die passen bij de moderne tijd. De satiricus Karl Kraus en de filosoof Ludwig Wittgenstein zetten zich af tegen de schrijvers van het typisch Weense feuilleton. Freud schept zijn psychoanalytische techniek om door te dringen tot het onbewuste van zijn patiënten. Kokoschka en Schiele vluchten niet als Klimt in weelderige ornamentiek, maar schilderen de rauwe werkelijkheid in harde kleuren. Schönberg en Berg komen met muziek die de verfijnde oren van de Weners pijn moet doen. De architect Adolf Loos beledigt de keizer door tegenover de oude Hofburg aan de Michaelerplatz zijn 'huis zonder wenkbrauwen' neer te zetten, een wit huis zonder ornamentiek. De keizer geeft zijn dienaren prompt het bevel de ramen te blinderen om dat witte mormel niet te hoeven zien.
In dit schema moet 'generatie' niet te letterlijk worden opgevat. Hoffmann en Loos zijn bijvoorbeeld beiden in 1870 geboren, maar hun respectievelijke opvattingen over architectuur zorgen voor een generatiekloof. Schrijvers als Stefan Zweig en Hugo von Hofmannsthal beginnen als estheten van de tweede generatie, maar blijken niet ongevoelig voor de werkelijkheid en worden later critici van hun tijd.
'Hun kamers waren geen woonkamers, maar pandjeshuizen en antiquiteitenwinkels. (...) Er was een manie voor totaal onbetekenende artikelen (...) een manie voor zijde-achtige oppervlaktes; voor zijde, satijn en glimmend leer, voor vergulde omlijstingen, verguld stucco en vergulde randen, voor schalen van schildpadden, ivoor, paarlemoer en een manie voor onbetekenende decoraties als rococospiegels in verschillende delen, veelkleurig Venetiaans glas, dikbuikige Germaanse potten, een romig kleed compleet met angstaanjagende kaken op de vloer, en in de hal een levensgrote houten neger.'
Zo beschrijft Egon Friedell de huizen van de Weense bourgeoisie in zijn Culturele Geschiedenis van de Moderne Tijd. Een passie voor ornament en decoratie had woningen omgetoverd in surrealistische sprookjeshuizen, gebruiksvoorwerpen vermomd, kleuren vertroebeld en lijnen gebogen. Ornament was geen middel meer om een voorwerp te verfraaien maar een doel op zich. Op deze starheid en overdadige ornamentiek kwam een reactie. Twee professoren aan de Weense kunstnijverheidsschool, Koloman Moser en Joseph Hoffmann, wilden het oude handwerk in ere herstellen en het in overeenstemming brengen met de eisen van de moderne kunst. Financieel ondersteund door de industrieel Fritz Warndorfer richtten zij in 1903 de Wiener Werkstätte op. Hun produkten bouwden weliswaar voort op de Biedermeierstijl, maar de ornamentiek werd teruggebracht en het spel van gebogen lijnen maakte plaats voor een meer geometrische stijl.
Ondanks de steun van Warndorfer lukte het niet de Wiener Werkstätte een gezonde financiële basis te verschaffen. De met de hand vervaardigde producten bleven te duur voor de gemiddelde burger. Daar kwam bij dat het artistieke ideaal, een moderne vormgeving, allengs verwaterde. De versierende lijn sloop binnen en ornamentiek was al minder sporadisch dan in het begin. Door de financiële crisis als gevolg van de eerste wereldoorlog kwam de onderneming in de problemen. In 1932 volgde de liquidatie.
De doelstellingen van de Werkstätte gingen Adolf Loos niet ver genoeg. Waar de ambachtslieden gebruiksvoorwerpen een kunstzinnig tintje wilden geven, wilde Loos juist een volstrekte scheiding tussen gebruiksvoorwerpen en objets d'art. De benaming toegepaste kunst was Loos een doorn in het oog. 'Culturele evolutie staat gelijk met de verwijdering van ornament van alle dagelijkse gebruiksvoorwerpen', luidde een van zijn leuzen. Dat gold ook voor de architectuur:
'Een huis moet iedereen bevallen. Om het te onderscheiden van kunst die niet iedereen hoeft te bevallen. Kunst is een zaak voor de kunstenaar. Een huis niet. Een kunstwerk wordt op de wereld gezet zonder dat het ergens voor gebruikt hoeft te worden. Een huis dient een doel. Een kunstwerk hoeft niet iedereen aan te spreken, een huis wel. Een kunstwerk wil de mens ontrieven. Een huis moet het iemand gerieflijk maken. Een kunstwerk is revolutionair, een huis conservatief. Heeft het huis niets te maken met kunst en is de architectuur niet een der kunsten? Dat is de waarheid.'
Loos verweet de architecten geen huizen te bouwen die waren geënt op de moderne manier van leven. Integendeel, huizen vol ornamentiek hielden de mensen juist voor hoe zij dienden te leven.
Op 1 april 1887 stapten radicale leden uit het conservatieve Künstlerhaus en richtten de Secession op, die tot 1905 zou bestaan. Het was een reactie op de starheid van zowel het Künstlerhaus als de academie van beeldende kunsten. Tentoonstellingsruimte was in Wenen een monopolie van het Künstlerhaus.
Van de Secession waren kunstenaars lid die op verschillende terreinen werkzaam waren en die zorgden voor het doorbreken van de barrières tussen de verschillende kunstvormen. Belangrijkste doelstellingen waren: het publiek wakker schudden en de kunstenaars in staat stellen meer te weten te komen over de laatste ontwikkelingen op kunstgebied in het buitenland. Dit wilden ze bereiken door het organiseren van tentoonstellingen met werk van buitenlandse kunstenaars en door het uitgeven van een eigen tijdschrift, getiteld Ver Sacrum (1898-1903).
In het voorjaar van 1898 werd de eerste tentoonstelling gehouden. Deze werd een groot financieel succes zodat de Secession haar grote wens, een eigen gebouw, kon verwezenlijken. Het meeste geld voor de bouw kwam echter van Karl Wittgenstein, staal-magnaat en vader van Ludwig. Bij het ontwerpen van het tempelachtige gebouw had Gustav Klimt een flinke vinger in de pap. Het opvallendste element, de bolvormige vergulde koepel, was afkomstig van Olbrich, de architect. Op het gebouw kwam de volgende leuze te staan:
Der Zeit Ihre Kunst Der Kunst Ihre Freiheit
De stijl van de Wiener Secession wordt vaak geïdentificeerd als Jugendstil, maar deze kwalificatie gaat voorbij aan de invloeden van het symbolisme en van mensen als de Schot Mackintosh.
De poging van de Secession-kunstenaars om kunst dichter bij het leven te brengen, werd geen succes. Hun visie was te esthetisch. Ze bestreden de symptomen, niet de ziekte. Wat Carl Schorske opmerkt over de estheten is van toepassing op deze groep: ze waren te veel onderdeel van de maatschappij en klasse wier smaak ze wilden bestrijden. De Weense kunst vroeg om een criticaster die zich niets zou aantrekken van rang, stand en naam. Een man met de uitstraling van een oud-testamentische profeet. Een man als Karl Kraus.
'.. .Samtliche Anklagen wurden in einer merkwürdig zementierten Sprache vorgebracht, die etwas von Gerichtsparagraphen hatte, nie abriss, nie auslief, die so klang, als oh sie vorjahren schon begonnen hatte und sich noch Jahre genauso fortsetzen liesse. Die Nähe zur Sphare des Rechts war auch darin spürbar, dass alles ein etabliertes und absolut sicheres, ein unantastbares Gesetz voraussetzte. Es war klar, was gut, und es war klar was schlecht war. Er war hart und natürlich wie Granit, den kelner zu bekratzen oder zu bekitzeln vermocht hatte.
Aber es war doch eine besondere Art von Gesetz, und so konnte ich schon das erste Mal, bei aller Ünvertrautheit mit den strafwürdigen Übertretern, fühlen wie ich mich ihm zu unterwerfen begann. Denn das Unfassbare und Unvergessliche - jedem Unvergessliche, der es je erlebt hat, und würde er dreihundertfahre alt werden - war, dass dieses Gesetz glühte: es strahlte aus, es sengte und vernichtete.'
Dit citaat uit Elias Canetti's essay over Karl Kraus geeft Canetti's indrukken weer toen hij in 1924 in Wenen de driehonderdste lezing van Kraus bijwoonde. Het citaat toont iets van de verpletterende indruk die Kraus op zijn toehoorders moet hebben gemaakt. In hun Wittgenstein's Vienna zien Janik en Toulmin Kraus als een Weense Jeremia die het publiek probeert terug te leiden naar het juiste pad. Zijn middelen waren de satire en de polemiek.
Karl Kraus kwam uit een gegoede joodse familie die was overgekomen uit Bohemen. In 1899 begon hij op 24-jarige leeftijd met zijn tweewekelijkse tijdschrift Die Fackel, een satirisch blad dat al spoedig geheel door hemzelf werd volgeschreven. Zijn stijl was indrukwekkend, uren kon hij dubben over de plaats van een komma. Kraus attaqueerde alles en iedereen. Zijn stelling was dat je aan iemands stijl en taalgebruik kon aflezen wat voor figuur het was: le style c'est l'homme même. Kraus ageerde tegen estheten, tegen corruptie van de politie, tegen het zionisme van Herzl (dat een reactie vormde op het antisemitisme van Lueger en Von Schönerer) en tegen deelname van Oostenrijk aan de eerste wereldoorlog. Evenmin moest hij iets hebben van de psychoanalyse en het feminisme.
Op het eerste gezicht lijkt Kraus de hofnar van het Weense fin-de-siècle, maar in feite wortelde zijn gedrag in de zienswijze dat artistieke eerlijkheid en waarheid de belangrijkste factoren in het leven zijn. Satire en polemiek stonden in dienst van de strijd tegen de corruptie en ontmenselijkende elementen in de Weense samenleving. Veelal waren zijn vlijmscherpe aanvallen, zoals tegen de hypocriete houding tegenover de prostitutie, verpakt in prachtige aforismen. Van deze taalvorm zou Wittgenstein gebruik maken in zijn Tractatus Logico Philosophicus.
Opvallend is dat Kraus' maatschappijkritiek nooit zuiver politiek was. Voor hem behandelden politici slechts problemen aan de oppervlakte, problemen waarvan de wortels veel dieper lagen, in de heersende geestelijke malaise.
Kraus had het begrip fantasie hoog in zijn vaandel staan. Bron van deze fantasie is het vrouwelijke element in de beschaving. De vrouwelijke fantasie bevrucht de mannelijke rede. Op deze wijze geeft de vrouw richting aan de man, want de rede is slechts een hulpmiddel, geen doel op zich. Zonder de vrouwelijke inbreng is de man gedoemd een heilloze weg te bewandelen. Deze opvatting verklaart waarom Kraus fel was gekant tegen het opkomende feminisme dat vrouw en man gelijk wilde stellen.
De fantasie werd in Kraus' ogen niet alleen bedreigd door feminisme, estheticisme, burgelijke moraal, pers en zionisme, maar ook door de psychoanalyse. Een van zijn vermaarde aforismen luidt:
'Psychoanalyse is die geestelijke ziekte die zichzelf als haar eigen geneesmiddel ziet.'
Voor Kraus waren Freud en zijn volgelingen slechts een substituut aan het opstellen voor de judeo-christelijke moraal ten aanzien van de seksualiteit. Hij zag Freud als een bedreiging voor het onbewustzijn en de jeugd. 'Ik ga liever terug naar mijn jeugd met Jean Paul dan met Sigmund Freud.'
Kraus' aanval op de Weense pers en met name op de gezaghebbende liberale Die Neue Freie Presse kwam niet voort uit persoonlijke rancune. Zijn bezwaar gold de pretentie dat de NFP objectief zou zijn, terwijl zij in feite aan de ketting van de officiële censuur lag en zodoende een spreekbuis was van het heersende regime. De socialistische pers verweet hij het binnenhalen van het grootkapitaal omdat de krant vol stond met advertenties van grote bedrijven.
Fel gekant was Kraus tegen het feuilleton. De vermenging van feiten en fictie vond hij typisch l'art pour l'art. De literaire generatie die slechts streefde naar een perfecte vorm was hem een doorn in het oog. Al het overbodige, de brij van adjectieven in de literatuur en de overvloedige ornamentiek in de beeldende kunst, moesten worden uitgebannen. Kraus zei eens over zichzelf en Adolf Loos: 'Adolf Loos en ik - hij in daden, ik in woorden - hebben niets anders gedaan dan aantonen dat er een verschil is tussen een urn en een po en dat cultuur bestaat in juist dat verschil. Maar de rest... kan worden verdeeld in hen die een urn gebruiken als een po en hen die een po gebruiken als een urn.'
Zijn felste aanvallen ondernam Kraus tegen de seksuele moraal die vrouwen in de behandelkamer van Freud en mannen in de bordelen dreef. In kringen van de Weense bourgeoisie was het huwelijk een zakenaangelegenheid geworden. Men trouwde om de partij, zelden uit liefde. Een ander aspect was de leeftijd waarop men in het huwelijk trad. Alvorens te trouwen moest de man een vrouw kunnen onderhouden, moest hij eerst zijn studie of leerperiode hebben afgesloten en een carrière opgebouwd. Een goed voorbeeld is Freud. Hij verloofde zich met Martha Bernays in 1882. In 1886 werd hij docent aan de universiteit, maar hij verdiende nog te weinig om haar te kunnen huwen. In een brief schrijft hij haar: 'Ondanks het aardige succes van mijn werk ziet onze toekomst er inderdaad nog redelijk donker uit.' Ze trouwden uiteindelijk op 14 september 1886. Kort na het huwelijk opende Freud zijn praktijk in de Maria Theresienstrasse. Het huis kon worden ingericht dankzij de bruidschat van Martha.
De vrouw werd verondersteld als maagd het huwelijksbed te betreden. De man was, wat dat betreft, vrijer: een leger van prostituees stond hem ter beschikking. In 1918 waren er ongeveer 40.000 Kontrolldirnen en 1500 Lohnhuren. In 1914 waren 1879 vrouwen onder toezicht van de zedenpolitie gesteld. Van hen had 40% t.b.c, was aan de drank verslaafd of werd als geesteszieke opgesloten. 70% had al eens een geslachtsziekte opgelopen. Van de prostituees was 40% afkomstig uit de stand van de huishoudhulpen. In Die Welt Von Gestern schrijft Stefan Zweig dat gefortuneerde vaders huishoudhulpen in dienst namen die de zoon des huizes seksueel moesten onderwijzen. Anders zou de zoon naar de hoeren gaan met het risico een geslachtsziekte op te lopen. Volgens Zweig werd de moraal niet gekenmerkt door een verbod op seksuele zaken, maar door het zwijgen erover. De oorzaak moet worden gezocht in de negentiende-eeuwse waan dat het verstand alle conflicten kon oplossen; hoe meer men het natuurlijke verbergt, hoe meer men zijn anarchistische krachten beteugelt. Door de jeugd niet voor te lichten dacht men dat de jongeren hun seksualiteit zouden vergeten.
Zelfs de mode was erop gericht het lichaam zoveel mogelijk te verhullen of in te snoeren. Mannen en vrouwen zaten geperst in stijve kleren en korsetten en afgezien van het gezicht was geen lichaamsdeel zichtbaar. De mannenmode schreef de vadermoorder voor, een hoge, stijve boord die het hoofd vast op de romp hield. De vrouwen zaten ingesnoerd in strakke corsetten die hun een figuur als een zandloper verschaften, de hals was gesloten tot aan de kin, lange handschoenen verborgen de handen en onderarmen. Onder de lange rokken en jurken staken slechts de schoenen laarspunten uit.
Dit alles bracht een levendige handel in naaktfoto's en pornografie met zich mee. Achteraftheatertjes en -cabarets brachten het meest platvloerse vermaak, in de donkere straatjes waren de bordelen even talrijk als de rattenholen.
Ofschoon het aanbod van illegale seks overstelpend was, was het niet eenvoudig daar op in te gaan. Eros en Thanatos stonden afgebeeld aan weerszijden van dezelfde medaille. Men sprak niet over seks, laat staan over de gevolgen daarvan: geslachtsziekten.
Syfilis en gonorroea hebben menig jonge man tot zelfmoord gedreven. In een vers dat Morgengebet heet en dat begint met de regel 'Nun sind alle Huren müde', vraagt de schrijver en dichter Albert Ehrenstein (1886-1950) aan God of hij hem wil beschermen tegen syfilis. De geslachtsziekten gingen niet voorbij aan de allerhoogste kringen. Toen kroonprins Rudolf in 1889 met zijn geliefde zelfmoord pleegde op slot Mayerling, was gonorroea bij hem in een vergevorderd stadium en werd hij behandeld met kwikzilver.
Ondanks alles kon de man zijn lusten botvieren. De vrouw was slechter af. De heersende opvatting was dat vrouwelijke seksuele verlangens werden opgeroepen door de man en een man was alleen beschikbaar in een huwelijk. Erg gerust was men overigens niet op die vrouwelijke 'koelheid': een net meisje ging nergens heen zonder begeleiding van haar chaperonne. Om ze in het spoor te houden, werden meisjes zoet gehouden met cultuur en beschaving; ze speelden piano of viool, handwerkten en lazen door de ouders goedgekeurde boeken.
In zijn autobiografie blikt Stefan Zweig jaloers naar de boerenbevolking, waar de knecht al op zijn zeventiende met een maagd de hooiberg induikt en naar de proletariërs die lang voor ze het officiële huwelijk aangaan met hun vrouwen slapen in een wilde Ehe. Een jonge bourgeois had zich nog geen positie verworven en kon geen vrouw onderhouden. De rijksten onder hen konden zich de luxe van een maîtresse veroorloven, anderen gingen een liaison aan met een getrouwde vrouw. Verder werden relaties aangeknoopt met diensters, winkelmeisjes en werksters die op deze wijze wat konden bijverdienen. In chambres separées konden deze vrouwen met hun minnaars uit de hogere kringen bijeenkomen.
'Toen waren de stegen zwart van vrouwen die zich te koop aanboden, het was moeilijker hen uit de weg te gaan dan hen te vinden. Daar kwamen al die gesloten huizen nog bij: nachtclubs, cabarets, danslokalen met hun zangeresjes en danseressen en de bars met hun animeermeisjes. In iedere prijsklasse en op ieder tijdstip werd de vrouwelijke waar aangeboden en het kostte een man net zo weinig moeite en tijd een vrouw te kopen voor een kwartier, een uur of een hele nacht als een pakje sigaretten of een krant,' aldus Zweig in Die Welt Von Gestern.
De staat maakte een tweedeling in geheime prostitutie en toegestane, met een officieel bewijs en door de staat belast. Een prostituee moest zich tweemaal per week onderwerpen aan politiecontrole en tweemaal per week worden onderzocht door een arts. Zij was erkend, maar rechteloos. Zij kon geen aanklacht indienen tegen een man die er zonder betaling vandoor was gegaan. In zo'n geval was haar beroep immoreel en kon zij van de overheid geen bescherming verwachten.
Tegen deze dubbele moraal kwam Karl Kraus - wie anders? - in het geweer. In zijn essay Sittlichkeit und Kriminalität verdedigde hij de rechten van de prostituees en homoseksuelen. Kraus vond dat staat en wetgever zich niet mochten bemoeien met iemands seksuele aangelegenheden. Pervers waren in zijn ogen de politieagenten en de fatsoensrakkers in de pers.
Janik en Toulmin stellen dat Kraus' verdediging van de prostituees voortkwam uit zijn opvatting van de vrouwelijke seksualiteit. Volgens Kraus heeft de man seksuele verlangens, maar is de vrouw de seksualiteit zelf. Daarom heeft het geen zin haar verantwoordelijk te stellen voor haar gedrag, want zij is gedetermineerd door haar onbewuste seksualiteit.
Deze theorie moet worden gezien in samenhang met het werk van de jonge Weense filosoof Otto Weininger die in 1903, kort na het verschijnen van zijn “Geslacht en Karakter”, zelfmoord pleegde in het sterfhuis van Beethoven. Zijn boek heeft hem het predicaat vrouwenhater, antisemiet en homohater opgeleverd. Als veel jonge Weense mannen worstelde Weininger met de seksualiteit. Hij meende zich eruit te kunnen redden door kuisheid te prediken in plaats van de emancipatie van het vlees. De vrouw, die in de theorie van Weininger geen ziel heeft (want zij zwelgt in zuiver gevoelsmatige associaties) wordt zo gered en verlost door de mannelijke kuisheid. Hoewel zijn conclusies op zijn zachtst gezegd aanvechtbaar zijn, was Weininger een van de weinige mannen die het 'probleem van de seksualiteit' onomwonden heeft behandeld. Zijn grote fout is dat hij een specifieke situatie heeft verheven tot een algemene. In het Wenen rond de eeuwwisseling was de vrouw niet meer dan een object, een ding. Weininger zag dat, maar hij zag niet de oorzaken. Te veel kind van zijn tijd hield Weininger geen rekening met de verstikkende invloed van de burgerlijke cultuur en moraal.
Vanaf 1886 begonnen vrouwen uit de burgerlijke klasse hun weg te vinden naar Freuds behandelkamer. Eenieder die de genesis van Freuds denkbeelden bestudeert zal in acht moeten nemen dat zijn patiënten voor het overgrote deel voortkwamen uit de gegoede klassen. Freud liet hen aanvankelijk onder hypnose vertellen, maar later wijzigde hij zijn methode en begon te werken met de vrije associatie.
In The Assault On Truth heeft Freud-afvallige J.M. Masson de grote Wener hevig aangevallen over diens herroeping van de verleidingstheorie. In 1886 had Freud gepostuleerd dat puberteits-ervaringen pijnlijk waren omdat zij onbewuste herinneringen aan vroege traumatische gebeurtenissen naar boven haalden of herhaalden. De ervaringen van de adolescent werden onbewust (of zelfs bewust) onderdrukt omdat zij herinneringen waren aan vroegere, veel pijnlijkere ervaringen. Later herriep Freud deze theorie en stelde hij dat veel traumatische jeugdervaringen fantasieën waren die voor de geest werden geroepen als een verdediging tegen het volop ervaren en ondergaan van gebeurtenissen uit de adolescentie. De neurotische adolescent wil haar eigen seksuele verlangens niet erkennen en om die te verbergen 'verzint' zij verleidingsverhalen uit haar vroege jeugd. Masson verwijt Freud dat hij zich heeft aangepast aan de seksuele mores van zijn tijd. Door te schrijven over incest, maar bovenal door de verhalen serieus te nemen, doorbrak Freud een streng taboe. In medische boeken en tijdschriften regende het voorbeelden van kinderen die ten onrechte ouders en verwanten hadden beschuldigd van incest. En nu was ook Freud de slachtoffers afgevallen. Volgens Masson kwam incest veelvuldig voor in het Wenen rond de eeuwwisseling. In alle kringen waren kinderen, vaak zeer jonge, slachtoffer van driften van hun familieleden en kennissen.
Freud heeft altijd gezegd dat hij de theorie van de gefantaseerde jeugdherinnering nodig had om tot zijn Oedipuscomplex te kunnen komen. Zo staat de verwerping van de verleidingstheorie aan de wieg van de moderne psychoanalyse. In Massons ogen verwierp Freud het inzicht dat seksueel, fysiek en emotioneel geweld een reëel en tragisch onderdeel vormt in de levens van veel kinderen.
Incest, onderdrukking van de vrouw, een dubbele seksuele moraal, geslachtsziekten, armoede en ziekten; deze opsomming aangevuld met dood en zelfmoord en de schaduwkant van het vrolijke Wenen van het fin-de-siècle is compleet. Nergens was de dood zo tastbaar aanwezig als in Wenen. Mensen stierven niet in hospitalen, maar thuis. Vandaar werd het lichaam per lijkkoets naar de kerk en vervolgens naar het kerkhof gereden. Dagelijks zagen de Weners een lijkkoets door de straten trekken; voor kinderen was het beeld zo gewoon dat zij thuis begrafenisje speelden, compleet met uit hard karton gesneden silhouetten van koetsen, paarden en mensen. In het Weense Bestattungsmuseum dat in 1967 werd geopend, is het kinderspeelgoed nog te zien.
Hoe rijker en aanzienlijker de dode, hoe indrukwekkender de optocht. In de begrafenis konden de Weners hun twee passies, dood en toneel, botvieren. Deze traditie heeft de twee wereldoorlogen en de desintegratie van de dubbelmonarchie overleefd. De begrafenis van keizerin Zita, de echtgenote van Karel I, liep in 1989 uit op een onofficiële staatsbegrafenis waar kerk, conservatieven en monarchisten zich nog een keer konden wanen in de grootse tijden van Frans-Jozef.
In 1907 telde Wenen 83 begrafenisondernemingen die elkaar fel beconcurreerden. Een onderneming betaalde provisie bij het aanbrengen van een sterfgeval. Deze concurrentiestrijd leidde tot protesten uit de bevolking en alle ondernemingen werden samengevoegd tot een gemeentelijke instantie die nog steeds bestaat.
Een behoorlijk aantal ten grave gedragenen heeft zichzelf om het leven gebracht. Oostenrijk was en is het land met relatief het hoogste aantal zelfmoorden. Wenen is de enige stad met een speciale begraafplaats voor zelfmoordenaars: het ‘Friedhof der Namenlosen’. Het verhaal gaat dat men in het fin-de-siècle het liefst uit de trein naar Boedapest sprong, gekleed in bruidskledij. Een andere geliefde zelfmoordplek was de bocht in de Donau. Op de plaats waar de lijken aanspoelden, legde men het Friedhof der Namenlosen aan. Sinds de Donau is verlegd, spoelen de lijken overigens aan in Bratislawa. Is het vreemd dat de theorie van de Todestrieh (Freud) in Wenen opgeld deed?
Nu een nieuw fin-de-siècle voor de deur staat blijkt in Oostenrijk weinig te zijn veranderd. Nog steeds is volgens Thomas Bernhard 'de Oostenrijker van nature ongelukkig'. Verderop in zijn toneelstuk Heldenplatz laat Bernhard een van de protagonisten zeggen: 'Oostenrijk zeifis niets anders dan een toneel (...) met figuranten die zichzelf haten'.
De geschiedenis van de dubbelmonarchie is die van haar einde. En hier ligt misschien het grootste verschil met landen als Frankrijk, Duitsland en Engeland rond de eeuwwisseling. Wenen was in de periode 1880-1918 niet uniek. De hypocrisie op het seksuele vlak vinden we ook in Londen en, zij het in mindere mate, in Parijs en Berlijn. Op cultureel gebied bleef Parijs niet achter bij Wenen. Integendeel. Het belangrijkste verschil met de andere steden is echter dat in Wenen alles geïntegreerd was. In tegenstelling tot Parijs kende Wenen nauwelijks la vie bohémienne. Wat Carl Schorske stelde voor de Oostenrijkse kunstenaars klopt: zij maakten te veel deel uit van hun klasse om er definitief mee te kunnen breken. In Wenen waren kunstenaars op elkaar aangewezen. Rijke burgers speelden mecenas, kunstenaars boden moreel vermaak. Het lichte, speelse, ironische en satirische element ontbrak in de Oostenrijkse kunst. Zelfs de satire van Karl Kraus is altijd verankerd in vlammend protest.
Een tweede element dat in de cultuur van de dubbelmonarchie volledig ontbrak is het politieke. We hebben al gezien dat de politieke invloed van de liberalen rond de eeuwwisseling nihil is, hun sociale invloed daarentegen nog altijd groot. Omdat ieder instrument voor veranderingen de liberalen uit handen was gevallen, trokken ze zich terug in de beschutte tuin van de zelf-contemplatie. Het geld en de status waren er, maar wat nu? Loos en Kraus en Wittgenstein ageerden tegen de zucht naar verfraaiing en ornamentiek, maar daarvoor in de plaats konden zij weinig anders bieden dan een oproep oprecht en sober te leven.
Het beste waar de kunstenaars rond 1900 toe in staat waren, was het tonen van de mensen om hen heen. Mensen die waren vastgelopen en op zoek waren naar zichzelf. We komen ze tegen op schilderijen van Kokoschka en Schiele. Hun werk drukt somberheid en wanhoop uit. De decors zijn verdwenen, de kostuums opgeborgen; wat rest is een kaal toneel met naakte spelers. Dit is wat de kunst van de dubbelmonarchie waarschijnlijk als eerste heeft laten zien: het niets dat achter de facade van het dagelijks leven schuilt.
In de kunst van de dubbelmonarchie en - na 1918 - Oostenrijk, bleef de mens centraal staan. De mens die zijn oude waarden en ideeën had verloren en zich weer zag gesteld voor elementaire vragen: waarom, waarvoor, waartoe? Als we de schilderijen en tekeningen van Egon Schiele bekijken zien we deze mens in al zijn eenzaamheid en angst. Het schilderij Die Familie uit 1918, het jaar van zijn dood, toont een naakte man (in wie we de trekken van Schiele herkennen), een vrouw en een kind dat aan het been van de vrouw hangt. De drie mensen zijn lichtgekleurd, de rest van het doek is geschilderd in donkere kleuren. De kwetsbare familie is omringd door een vijandige buitenwereld die weinig hoop biedt.
Op 28 oktober 1918 sterft Egons vrouw Edith aan de Spaanse griep. Drie dagen later overlijdt hij zelf aan deze ziekte. In hetzelfde jaar sterven Otto Wagner, Gustav Klimt en Koloman Mo-ser. Kwam de dood in 1918 in de gedaante van de Spaanse griep, in 1938 kwam de dood in de gedaante van een mislukte schilder, een Oostenrijker die zijn land had verlaten om zijn heil te zoeken bij de grote noorderbuur. In 1938 was het Oostenrijkse modernisme voorbij.